mijn publicaties

Ik brand een kaarsje voor...


...Jamal, en al die andere vertrapte Palestijnen
Interview Libelle, 17 december 2009

Oud-minister en -premier Dries van Agt is al veertien jaar met pensioen. Maar tijd om te genieten van zijn oude dag heeft hij niet. Hij ziet het als zijn levenstaak op te komen voor de rechten van de Palestijnen. “Ik behoud de hoop dat het ooit goed komt.”

“Jamal noem ik het Palestijnse jongetje dat hier oog in oog staat met een Israëlisch soldaat. Gescheiden door - hoe treffend – een muurtje, met stokjes zijn geweer imiterend. Het is van een ongelooflijke triestheid hoe die kinderen in de door Israël bezette gebieden opgroeien - áls ze al opgroeien. Ik heb er velen in de ogen gekeken; zeven, acht jaar, soms jonger. Ze zouden op school moeten zitten in plaats van op straat dolen, maar die school bestaat vaak niet meer of ze kunnen er niet naar toe. Mijn gedachten gaan, eigenlijk iedere dag, uit naar Jamal, zijn vriendjes, zijn familie of wat daar nog van over is; naar al die vertrapte Palestijnen.
Ja, het ontroert me iedere keer als ik aan die mensen denk. Nooit zal ik die boerenvrouw vergeten die ik ontmoette toen ik de Gazastrook bezocht. Twee weken daarvoor waren haar man, diens broer en twee van haar zonen neergeknald. Door Israëlische vliegtuigen. Op de akker naast haar huisje; ze waren er gewoon aan het werk. Deze vrouw, zat in het diepst denkbare verdriet toen ik haar de hand schudde. Ze leefde van bijna niets en toch overlaadde ze ons met lekkers van haar land, radijzen, boerenbrood en melk. Aan haar denk ik ook deze dagen.
Ja, ik ben milder geworden in de loop der jaren. Louter winst, wat mij betreft. Daar word je als mens beter van. Tegelijkertijd is er bij mij een ongekende felheid ontstaan. Omdat de Palestijnse kwestie alleen maar erger is geworden en het lijden toegenomen. Ik kan me
boosmaken over de gemakzuchtige houding van mensen, vooral van politici. Velen nemen klakkeloos aan dat alles wat Israël doet deugt. Dat heeft onder meer te maken met de jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maar waarom moeten de Palestijnen daarvoor betalen? Veel mensen zijn ook te goeder trouw; geloven wat hen wordt voorgeschoteld. Ik begrijp dat mensen moedeloos worden van dit conflict. Ik houd mezelf voortdurend voor dat ik dat niet mág worden. Er moeten toch een paar mensen op de wereld zijn die zich druk maken om deze zaak, erop vertrouwen dat dit conflict kan worden opgelost, op basis van het internationale recht?”

80ste levensjaar
“Als ik het met een zweem van dramatiek  mag zeggen: ik ben er aan toe om mijn 80ste levensjaar in te gaan. Dat is over een paar maanden, als ik 79 word. Zie ik er nog goed uit? Ach, het baasje is wel versleten hoor. Die Mont Ventoux, die ik nog op mijn 54ste beklom, red ik niet meer. Ik heb inmiddels twee heupoperaties ondergaan. Maar het valt mee; mijn familie, mijn gezin, we zijn gezond en gelukkig. Hoewel het heus niet allemaal zonneschijn is geweest. Niet zo lang geleden is mijn schoonzoon overleden. Hij was 48 jaar en liet mijn oudste dochter met de kinderen achter. Toen heb ik ook een kaarsje gebrand. Zo af en toe doe ik dat. Dat behoort tot de poëtische rituelen van mijn kerk.
Ja, ik wil blijven geloven. Natuurlijk kun je roepen: ‘al dat bloedvergieten in het Midden-Oosten, nu, in het verleden?’ Dit thema, die vraag, is voortdurend in de menselijke geest in bewerking. Ook in die van mij. Maar van nature ben ik iemand die ernaar snakt te blijven geloven in het goede van de mens. En zie daar ook regelmatig aanwijzingen toe. Zoals de boerin die ik ontmoette. Maar net zo goed die dappere jonge lieden die in het Israëlische leger hebben gediend. Hebben móeten dienen. Jongens die vervolgens na afloop zo bezwijken onder gewetensbezwaren dat ze nu de wereld intrekken, de stilte verbreken en vertellen dat we kritisch moeten durven zijn over Israël. Zolang er zulke mensen zijn, houd ik hoop dat het ooit goed komt.”

Grootste wens
“Buiten het welzijn dat ik mijn kring van naasten gun, is het mijn grootste wens dat het daar goed komt. Mijn levenstaak zelfs. Die me zo in beslag neemt, dat het er het gehele jaar nog niet van gekomen is één dag vrij te maken voor mijn vrouw. Ze verwijt me dat nooit.
Slechts een enkele keer hoor ik haar verzuchten: ‘denk je er aan dat je al 14 jaar met pensioen bent?’ Mijn meisje, ze is met recht heldhaftig. Eugenie heet ze. Dat betekent welgeborene. Ze begrijpt waarvoor ik vecht. Net als mijn kinderen en de oudste kleinkinderen.
Niet omdat ik ze dat opdring, maar omdat ze mij zo intens en emotioneel bezig zien. Nee, dat kenden ze niet van mij. Geen van mijn kinderen is politiek actief geworden. Bewust niet. Ze hebben er te veel ellende van gezien. Om het poëtisch te stellen: ik was er niet toen zij werden. Bijna twaalf jaar ben ik gewoon niet thuis geweest. Dat realiseer ik me nu pas. Toch had ik het niet willen missen. Ik heb er veel van geleerd en veel connecties aan overgehouden.
Velen in Den Haag hebben me overigens de rug toegekeerd, met name in mijn eigen partij. Daarom richt ik me tot het volk, met een boek, waarvan ik hoop dat het de grote schoonmaak zal worden als het gaat om vooroordelen over Israël.
Vooroordelen die mij ook vele jaren in de greep hadden in de tijd dat ik regeerde. En ondanks het feit dat het beleid er misschien niet naar is, is er wel degelijk een verschuiving merkbaar in de publieke opinie. Na de publicatie van het boek heb ik honderden steunbetuigingen ontvangen.
Mij wordt vaak verweten mijn ogen te sluiten voor andere verschrikkingen, zoals Darfur, Congo, Somalië of Tibet. Maar niemand kan alle problemen van de wereld aanvatten. Waarom brand ik een kaarsje voor de Palestijnen? Misschien omdat we over het heilige
land praten. Voor iemand die christen probeert te zijn, is het niet om aan te zien hoeveel onheiligs daar plaatsvindt. Ik beklim letterlijk een berg. Opgeven zit niet in mijn aard en ik weet als wielrenner dat het uitzicht en gevoel op de top geweldig zijn. Zo overweldigend dat alle leed op slag is vergeten. Zolang ik daaraan kan vasthouden, ga ik door.”